Rover modellen

P6

(Dit artikel is in bewerking en wordt steeds verder uitgebreid, aanpassingen en aanvullingen 20.08.2017 en 14.09.2017)

De Rover 2000, 2200 of 3500, afhankelijk van de motorinhoud (projectnaam P6) is een 4 deurs auto, de laatste ontwikkeld door Rover als onafhankelijk bedrijf. Door allerlei fusies werd  de auto eerst door Rover, daarna Leyland Motors en uiteindelijk door Britisch Leyland gebouwd. Wel bleef de productie over de hele productieperiode van 1963 tot 1977 in Solihull, West Midlands, Engeland. De Rover 2000 werd gekozen als European Car of the Year in 1964, de eerste winnaar van deze titel.

 

Fabrikant  The Rover Co. Ltd 1963-1967
   Leyland Motors 1967-1968
   Britisch Leyland 1968-1977
Aantallen  322.302 1963-1977
Produktie  Solihull, Engeland.  
   Nieuw Zeeland  
   Zuid Afrika  
Ontwerpers   Spen King                visie
   Gordon Bashford base unit
   David Bache            ontwerp
Technisch directeur  Pieter Wilks  
 Projectleider  Ted L. Grawoski  

 

De P6 werd aangekondigd op 9 oktober 1963, kort voor de Earls Court Motor Show. De P6 werd verkocht als Rover 2000 en was een compleet nieuw ontwerp met als doel een groter publiek aan te spreken en een groter aantal kopers aan te trekken dan eerdere modellen zoals de P4 die hij verving. Rover had onderzocht dat er een groeiende markt ontstond tussen de standaard 1.5-liter familiesedan's  zoals de Ford Consul en Singer Gazelle en de geaccepteerde 3-liter grote 4-deurs' auto's zoals de Wolseley 6/99 en Vauxhall Cresta.

 

De jonge opkomende middenklas, de hoger opgeleiden en 'executives' keken uit naar auto's die superieur waren aan de normale 1.5-liter modellen qua stijl, ontwerp en luxe maar met betere en modernere rijeigenschappen dan de grote 3-liter klasse en een lagere aanschaf en onderhoudskosten dan de sportauto's zoals de Jaguar Mark 2. Eind jaren 50 in de Auto technologie met sprongen vooruit. Auto's zoals de Citroen DS en Lancia Flavia in Europa en de Chevrolet Corvair in Amerika illustreren dit. De vervanging van de traditioneel ontworpen P4 zou daarom met een kleinere auto met een 2 liter motor, (alhoewel een  gas turbine was voorzien als aandrijving in de toekomst) een modern ontwerp en vooruitstrevende techniek moeten zijn.  Techniek en ontwerp maakte de Rover 2000 dus tot een van de vroegste voorbeelden van wat wij nu een klasse automobiel noemen. De P6 was lager geprijsd dan de P4 mede omdat de geprognotiseerde verkoopaantallen als veel hoger werden ingeschat. De P5 werd nog tot 1973 naast de P6 geproduceerd.

 

De Rover 2000 was zijn tijd ver vooruit met een "de Dion achteras buisvering", schijfremmen op alle vier wielen, waarvan aan de achterzijde tegen het cardan gesitueerd voor een laag afgeveerd gewicht en een volledig gesynchroniseerde vier versnellingsbak.

 

Het base-unit ontwerp maakt het mogelijk panelen vast te schroeven in plaats van te lassen zodat in geval van schade reparatie simpel en snel zou zijn en een nieuw ontwerp uitsluitend nieuwe panelen zou inhouden. Het betrof een oud idee uit de 50-er jaren van Gordon Bashford dat op de plank was blijven liggen vanwege het succes van de Landrovers. De gedachte dat dit was gekopieerd van de Citroen DS berust dus op een misverstand.

 

De "de Dion" opstelling was uniek in die zin dat de buis uit twee bestond die in elkaar konden schuiven. Daarmee werd voorkomen dat er glijdende spiesen in de aandrijfassen nodig waren die constant belast zouden worden met rij- en rem krachten, maar dat de wielen toch verticaal en parallel ten opzichte van de body zouden blijven.

 

Een belangrijke bijdrage leverde Peter Wilks. De Rover 2000 won de "industry awards for safety" al bij zijn introductie en ook voor zijn goed ontworpen "safety" interieur. Een van de unieke innovaties betrof de prisma van glas aan de bovenzijde van de stadlichtglazen. Dit maakte voor de chauffeur een precieze inschatting mogelijk van de hoeken van de auto aan de voorzijde en gaf een bevestiging dat de verlichting werkte.

 

Een uniek kenmerk van de Rover 2000 was het ontwerp van het voorveringsysteem. Een soort van triangel zorgde dat de horizontale beweging via een soort van triangel werd omgezet, dusdanig dat deze door een verticaal gemonteerde veer die tegen het schutbord ruste, kon worden gedempt. Een enkelvoudige hydraulische gedempte arm was gemonteerd als een soort van "firewall" zodat oneffenheden niet voelbaar via het stuurwiel werden doorgegeven.

 

Een bijeffect was dat de auto bij remmen nauwelijks "duikt". Dit is niet alleen comfortabel maar houd ook relatief veel gewicht op de achterwielen en dat is weer gunstig voor de remweg. De Rover 2000 was tijdens zijn introductie dan ook de snelst remmende 4 persoonsauto ter Wereld

 

De benzine tank was tegen een stalen schot geplaatst tegen de achterbank. Dit zorgde ervoor dat de benzine tank maximaal verwijderd was van een impact van achteren maar ook dat indien de tank in brand zou vliegen de vlammen niet direct het interieur konden bereiken.

 

Het voorveringsysteem dat ontworpen was om voorwielaandrijving mogelijk te maken ingeval van installatie van een gasturbine, zou later nog van onschatbare waarde zijn toen de V8 in beeld kwam die natuurlijk veel breder dan de 4 cilinder in lijn 2 liter motor was. Deze V8 kon daarom met relatief simpele aanpassingen in de Rover 2000 (met V8 de Rover 3500) gehuisvest worden.